(...) En nog steeds droom ik... van een andere plek van waaruit ik mezelf kan overdenken (...) van waaruit ik op mezelf kan reflecteren zonder dat dit, wat ik zie, gelijk (een zelf-reflectie op) mijzelf is. Een 'reflection d'autre' - de reflectie van een ander, mijn eigen andere. Een reflectie met het oog, niet de geest. Nu, beiden voeten ferm in de bodem van mijn geschiedenis, bouwend aan een geruïneerd monument voor mezelf, kan ik mezelf eindeloos tot een ander, buiten mezelf, maken, om vervolgens de grens tussen ons te overschrijden, over-schrijven, toe te eigenen, mij(n) eigen te maken. Met elke (zelf) reflectie vouw ik mezelf in op mezelf - nooit eenvoudiger, eerder gecompliceerder. In elke reflectie vind ik een ander, een andere ik, maak ik mezelf een ander - een (nieuwe) representatie van mezelf, voor mezelf, buiten mezelf. Zo ligt mijn identiteit altijd bij dat waar ik naar op zoek ben, eindeloos verwezen, altijd later, op zoek naar wat mij voorafging. Elke eigen-naam een woord te veel èn te weinig, voorbij mijn gezichtsveld, een reflectie te veel en te weinig. En toch zie ik altijd wel iets van mezelf terug - in dit eindeloze net van verwijzing en spiegels, die breukvlakken vertonen zonder doorbroken te zijn of zelfs maar gebroken. De sluier van glas en het reflecterende zilveren vlies dat zij beschermt nog niet gepenetreerd, dit breekbare hymen. Maar hoe, met welke blik, met welke pen, en door wie? Een andere ik, mijn andere...zoveel die het ‘misschien’ kunnen zijn... schrijven ?’