Nightly Travelling, prt I - Highways 

Empty and deserted like the mist over a nightly highway, rising up from out of nothing and leading into the infinite nowhere. The alcohol burning on your lips like her memory. And the grey clouds that weep for you with a thousand little pinpricks, until the pain numbs your skin.
You pull your hood tighter around you so as to feel more secure, like an embrace, the warmth around you and nothing else to look forward to. You miss her, even though you don’t know who she is. You recognize neither her, nor her face – not in the nightmares chased by empty stares in which you dream of rest, sleep and dreams; nor in the masses of passersby or the images you project daily onto their faces to dream away the daily reality with constantly repeating images of endless possibilities. The golden glow of melancholy throws its long soft shadows from which even the sharp edges catch a sparkle. You recognize none of the words they speak, but the look in their eyes speaks to you, as you straighten your back and let the mist carry a whisper, a question – its hollow echo dragged along with passing headlights into the infinity of this silver-grey darkness -  ‘who are you?’
And you keep on searching, with all that you have, just to stop the feeling of missing something. With tingling cheeks, your back and stare weary, you cross the deserted concrete plain, perpendicular to the road that has no end, but always arrives somewhere only to continue - like I, the mist, my wandering, have become, an exile, a refugee - with time, without movement, into my capsule, where time stands still and space moves around me.

 


 

Nachtelijk Reizen, deel 1 - Snelwegen

Leeg en verlaten als de mist over een nachtelijke snelweg die uit het niets op komt zetten en tot in het oneindige nergens leidt. De alcohol brandt zacht op je lippen als de herinnering aan haar. En de grijze wolken die in duizend kleine speldeprikken voor je huilen, tot de pijn je huid verlamt. 
Je trekt je capuchon strakker om je heen omdat het je veilig doet voelen als in een omhelzing, warmte om je heen en niks anders om naar uit te kijken. Je mist haar, ook al weet je niet wie ze is. Noch haar, noch haar gezicht herken je - niet in de door lege blikken achtervolgde nachtmerries waarin je droomt van rust, slaap en dromen; noch in de massa’s voorbijgaanden of de beelden die je dagelijks projecteert op hun gezichten om de dagelijkse realiteit door te dromen met constant repeterende beelden van eindeloze mogelijkheden. De gouden gloed van melancholie werpt lange maar zachte schaduwen vanwaaruit zelfs scherpe randjes een glinstering vertonen. Geen van de woorden die zij spreken herken je;  maar de blik in hun ogen spreekt je aan, terwijl je je rug recht en de mist de gefluisterde vraag laat dragen - een holle echo die met de voorbijsnellende koplampen meegesleurd wordt tot in het oneindige van deze zilvergrijze duisternis: ‘ wie ben je ? ‘
Je blijft zoeken met alles wat je hebt, om het gevoel iets te missen maar te laten stoppen. Met tintelende wangen, je rug en blik vermoeid, steek je de verlaten betonnen vlakte over, overdwars op de weg die geen einde heeft, maar altijd ergens uitkomt om door te gaan,  zoals ik, de mist, mijn dolen, geworden ben, een vluchteling - met tijd, zonder beweging, mijn capsule in, waar tijd stilstaat en de ruimte beweegt.