Nightly Travelling, part III - Buses

A cold breeze lights up on a rainy summer night, and the rattle of windowpanes moves like goose bumps over the facades of sleeping giants. Line 152 is the place for the restless and the homeless alike, where night revelers and the first awaking shuffle from either side along dawn. 
Outside a convoy of taxis and garbage trucks marches past silently to wipe the streets empty, while the dark and unexposed corners in which just now you could still imagine all kinds of dreamy details slowly fade and turn pale in the emerging daylight that scorches all dreams. And so you follow Santa Fe Avenue  - an artery in cardiac arrest, a dead void that pulses with life in daytime but along which now only a few red and yellow capsules filled with dreams numbed by sleep or alcohol are finding their way through deserted emptiness. Deafening silence and godlessness -  in this twilight all light has left you.

Lost in thought and languid the buses wander past closed doors and dark windows and provide temporary solace to all those returning to or still seeking their home to find sleep and rest. Memories of several places you have once felt at home in, glimmer through your mind like the weak glow of the first dreary drops of light that continuously, past alleyways and empty squares and street corners, dreamily escape your gaze. The light crawls between shapeless buildings in search of warmth and company. Slowly awakening from unfulfilled dreams drunken night revelers return to bed alone while laborers leave theirs to let themselves get carried away in their daily routine – while somewhere past the shimmering dawn a spark lights up, a memory of the romance of a life as it would be remembered by writers, but which continuously escapes your gaze and gauge in the wake of the bus and behind foggy windowpanes upon which raindrops sparkling like stars crowd the moving darkness beyond. 
The night-air pregnant of dew-dreams that fog the windowpane into the blacksilver blanket in which the travelers momentarily wrap themselves to shut the world outside. On the tightrope of dawn and half-sleep both the romance of the night as well as the fire of day slips through your fingers. ‘All escapes us’, that thought keeps wandering through your head, solitary and intangible, ‘while we all swarm around ourselves as moths to a naked light bulb in a dilapidate house, an unmade bed in a corner and watery moonlight falling into the emptiness through a curtainless window.

The night bus is the place where this elusion, this irreversible loss, takes place in its most tangible form – this purging of dreams, this sleep-exchange between day-dreamers and night-guards, working shifts in chasing half remembered dreams and ideals lost too early, with a fatigue coming from long before just this one night.

 


 

Nachtelijk Reizen, deel III - Bussen 


Een kille bries steekt op in een regenachtige nazomernacht en het geklapper van ramen schuift als kippenvel over de gevels van slapende reuzen. 
Lijn 152 is de plek voor rustelozen en thuislozen, waar de nachtbrakers en de eerstwakenden van beiden kanten langs de dageraad heen schuifelen. Buiten marcheert een cordon taxi’s en afvalwagens geruisloos voorbij om de straten schoon en leeg te vegen, terwijl de donkere en onbelichte plekken waarin je zoëven nog allerlei dromerige details kon inbeelden langzaam verbleken in het opkomende daglicht dat alle dromen verzengt. 
En zo ga je over Avenida Santa Fe – een slagader in een infarct, een dode leegte die overdag pulseert met leven maar waarlangs nu slechts enkele genummerde rode capsules vol met door slaap of alchohol verdoofde levens hun weg banen door de verlaten leegte. Oorverdovende stilte en goddeloosheid - in deze schemering heeft elk licht je verlaten. 

In gedachten en traag zwerven de verschillende bussen langs gesloten deuren en donkere ramen en bieden tijdelijke geborgenheid aan allen die hun thuis opzoeken, of nog zoeken, om te slapen en rust te vinden. Herinneringen aan verschillende plekken waar je je ooit thuis heb gevoeld schemeren door je hoofd als de zwakke gloed van de eerste waterige straaltjes daglicht die langs smalle straten en achter verlaten pleintjes en straathoeken telkens dromerig aan je blik ontsnappen. 
Het licht kruipt tussen de vormeloze gebouwen op zoek  naar warmte en gezelschap. Langzaam ontwakend uit onvervulde dromen keren dronken nachtbrakers alleen terug naar bed en verlaten arbeiders het hunne om zich in de dagelijkse routine te laten meeslepen – terwijl ergens voorbij de schemerende dageraad een vonk opleeft, een herinnering aan de romantiek van een leven zoals dat door schrijvers herinnerd zou worden, maar dat telkens net aan je blik en je woorden ontsnapt in het zog van de bus en achter beslagen ramen waarop glinsterende regendruppels als sterren de bewegende duisternis daarachter bevolken. De nachtlucht zwanger van dauwdromen die de ramen beslaan tot de zwartzilveren deken waarin de reiziger zich even hult om zich af te sluiten van de buitenwereld. Op de koorddans van dageraad en halfslaap glippen zowel de romantiek van de nacht als het vuur van de dag tussen je vingers door. ‘Alles ontsnapt ons’, die gedachte blijft eenzaam en onvatbaar door je hoofd zwerven, ‘terwijl we er allemaal om heen zwermen als motten om een kaal peertje in een vervallen huis, een ongemaakt bed in de hoek, en waterig maanlicht dat door een raam zonder gordijnen de leegte binnenvalt.’ 

De nachtbus is de plek waar dit ontsnappen, dit verlies, in haar meest tastbare vorm plaatsvindt - deze droomwissing, deze slaapuitwisseling tussen dagdromers en nachtwakers, ploegendiensten in het najagen van  half herinnerde dromen en te vroeg verloren idealen - met een vermoeidheid die van lang vóór slechts deze ene nacht komt.