Nightly Travelling - part IV, Afoot


“ ‘Give a child the roots to grow from and the wings to break free and it will live its dreams’. Well, roots have been laid bare and become memories, for now… But to gain height, several wing strokes will be necessary. Patience, my tinsel angel, with no view of the future doesn’t directly mean without perspective. “

With restless feet you dance in bed alone at night, in a spiral, no one to see you, to the rhythm of the city and the melody of dreams in a language you don’t understand, carried on a breath of dreamt faces that are always somewhere else, never here. 
That is why you keep moving; because you hope to find your rest somewhere else. And so you get up once again, put on your shoes on with a grim face and slam the door shut behind you to embark upon yet another nocturnal wandering.

Walking through the mist, your feet through the dew that tears of the cold fingertips of barren trees. You put your hands deeper into the pockets of your coat, shrug, make a fist in your pocket, and with your head crouched and a grim look that speaks anger and misunderstanding, you wander the streets, your hurried pace and the rhythm of your feet on the street tiles as the substitute for a direction or goal. Departed, but not yet arrived, without foothold, you float through the city like the fog - dewdrops, fragments of a dream that slowly fills the streets with his breath. And with nothing to start with, on the springboard of stretched and strained ideals, the question is simple: what will you do?
On the cutting edge between self-knowledge and self-deception the best place to fool yourself is on the path to self-assurance, there where you try to find yourself.

You keep searching, because you feel guilty for what you have, yet still continuously must want more, cannot but want more. Because you always let go of what you have and leave it behind for the chance, or the hope, of something better. Or maybe simply something different. 
On the move you can forget for a moment that you have no home – on the move you do not have to pretend to yourself that this is your place, nor feel guilty about feeling a foreigner there.
Middle-class guilt, in the middle between shame for what will never be enough for you, that which you strive to surpass because it has never involved you or touched you, and the far and foreign that beckons you from the other side and that both you nor them will never quite grasp, but then at least in a different way, so you tell yourself reassuringly. Between homesickness to an undetermined future to feel at home in and the separation anxiety of the uninhabitable soil from which you have grown and been uprooted. Eternally in the middle between the relentless stream of dreams and ambitions and the constant failing of expectations, in the face of the impossibility to reach either your goals or yourself. You are like an abandoned summer destination in winter: possessed by melancholy, not for people nor for silence, but for the burning and unquenchable summer desire itself for the bleak desolation of winter.
You wrap yourself in the dull blanket of melancholy, the desire for loss. According to Milan Kundera vertigo is not the fear for heights or for falling, but rather the disruptive desire to fall. And just maybe that is why we reach for great heights: to gasp for air, to be left breathless, to break the daily twilight with a light coming from afar, and not having to fear that this is it, that you are ‘whole’ and ‘completed’, or ‘ready’.  Or above all, to find yourself beside yourself, because you have declared yourself inhospitable and allow no one to stay. 

And while you shake off the irritations, memories and misunderstandings like cold drops of dew on the dawn of a new day, a new light that is yet to come, as for now nothing remains but a ramified skeleton with oversensitive antennas reaching to the heavens in all directions, drowning in static noise. A framework in which time and time again new buds will try to survive the dreary winter wind that relentlessly blows through you, and blossom before your self-critique clips and prunes them. 

All the time you seek to escape for a moment, to feel momentarily at home in movement, on your way, identifying yourself with the abandoned highway that connects origin and destination - doubting which end will be ‘home’ - but that never arrives anywhere itself, nor is it even in motion. 
All those little escapes keep you going: a moments absence in a conversation, that stare fixed at no point in particular; the moments to yourself in a night bus, the evening that brings rapture and the sleep that brings relief with the conclusion of each day;  that day fled from the city that should be yours but has nothing to do  with any individual; a weekend to that almost deserted colonial village, where, for just a moment in the twilight of dawn, you can displace and transpose yourself outside of your factual life, because with the rustling of the waves the voices and the pressure in your head appear to fade away for a moment; a trip to another continent to extract yourself from daily life, (ordinariness of life) by wrapping yourself in the ignorance of the foreigner, or finally, in the middle between hope and desperation, to start your life over in another place, with your head in the clouds and your feet caught in the safety net you leave behind. 

Longer and longer you travel. In trains, along highways, in busses, afoot… Slower and slower you travel, and just maybe you are circling in a spiral dance ever closer around your destination and yourself, that hollow deep in your middle, at the heart of your being, while you feed yourself with your own circular references, expressions, excrements, all of them escapes…

All these escapes keep you going, until someday somewhere, empty and without baggage, you arrive in unknown arms and you no longer sleep to forget the day, but to discover a new one. Only then will the liquid world in which you wrapped yourself congeal and take shape. Only then will you stop this nightly travelling.

For isn’t all travelling nightly: awaiting, 
in expectation and in search for the twilight of a new dawn?

 


Nachtelijk Reizen, deel IV - Te Voet 

 

“ ‘Geef een kind de wortels om vanuit te groeien en de vleugels om los te breken en het zal zijn dromen leven’. Welnu, wortels zijn nu blootgelegd en herinneringen geworden, voorlopig... Maar voor enige hoogte zijn meerdere vleugelslagen nodig. Geduld, mijn tinnen engel, zonder zicht op de toekomst betekent niet gelijk uitzichtloos”.

 

Met rusteloze voeten dans je ‘s nachts alleen in bed, niemand die je ziet, in een spiraal, op het ritme van de stad en de melodie van dromen in een taal die je niet verstaat, gedragen op de adem van gedroomde gezichten die altijd ergens anders zijn, nooit hier. Dat is waarom je in beweging blijft; omdat je hoopt de rust ergens anders te vinden. En dus sta je op, trekt met verbeten gezicht je schoenen aan en slaat de deur achter je dicht om op de zoveelste nachtelijke omzwerving te vertrekken. 

Lopend door de mist, je voeten door de dauw die van de koude vingertoppen van kale bomen af traant. Je steekt je handen dieper in de zakken van je jas, en maakt je klein, en zo, een vuist in je jaszak, je hoofd ineengedoken en met een verbeten blik waaruit woede en onbegrip spreken, zwerf je door de straten, je gehaaste pas en het ritme van je voeten op de straattegels als het substituut voor een richting of een doel. Vertrokken, maar nog niet aangekomen, nog geen voet aan grond, zweef je door de stad als de mist - dauwdruppels, fragmenten van een droom die langzaam alle straten vult met zijn adem. En met niks om mee te beginnen, op de springplank van gespannen idealen, is de vraag simpel: wat ga je doen? 
Op de snijdende grens tussen zelfkennis en zelfdeceptie is de beste plek om jezelf voor de gek te houden: op weg naar zelfkennis, daar waar je jezelf zoekt. 

Je blijft zoeken, omdat je je schuldig voelt over wat je hebt, en toch altijd meer moet willen, niet anders kunt dan meer willen. Omdat je wat je hebt altijd loslaat en achterlaat voor de kans, of de hoop, op iets beters. 
Of misschien gewoon iets anders. Onderweg kun je even vergeten dat je geen thuis hebt – onderweg hoef je jezelf niet voor te houden dat dit je plek is, noch je er schuldig over te voelen dat je je een vreemdeling voelt. 
Middenklasseschuld – in het midden tussen schaamte over wat nooit genoeg voor je zal zijn, wat je voorbijstreeft omdat het je nooit betrokken of geraakt heeft, en het verre en vreemde dat aan de andere kant lonkt en dat zowel jij als zij misschien nooit helemaal zullen begrijpen - maar dan op zijn minst toch op een andere manier, zo hou je jezelf voor. Tussen de heimwee naar een onbepaalde toekomst om je in thuis te voelen en de verlatingsangst van een onbewoonbare ondergrond waaruit je gegroeid en ontworteld bent. Eeuwig in het midden tussen de onaflatende stroom dromen en ambities en het constante falen van verwachtingen, in het gezicht van de onmogelijkheid je doelen noch jezelf te bereiken. 
Je bent als een verlaten vakantiedorp in de winter: bezeten door de weemoed, niet naar mensen noch naar stilte, maar naar het brandende en onstilbare zomerse verlangen naar de kille verlatenheid van de winter. Je hult jezelf in de warme doffe deken van melancholie, het verlangen naar verlies. Volgens Milan Kundera is vertigo niet de angst voor de hoogte of het vallen, maar het verborgen verlangen te vallen. Misschien is dat wel waarom je eigenlijk reikt naar grote hoogten: om naar adem te snakken, de dagelijkse schemering te doorbreken met licht dat van verre komt en niet bang te hoeven zijn dat dit het is, dat je ‘heel’ en ‘afgerond’ of ‘af’ bent. Of dus vooral: om buiten jezelf te geraken, omdat je jezelf onbewoonbaar hebt verklaard en niemand toelaat.

En terwijl je irritaties, herinneringen en onbegrip als kille dauwdruppels van je afschudt in de schemering van een nieuwe dag, een nieuw licht dat nog komen moet, blijft er vooralsnog niks over dan een vertakt skelet met overgevoelige antenne’s die in alle richtingen ten hemel reiken, verdrinkend in statisch geruis. Een raamwerk waarin telkens nieuwe knoppen proberen de kille winterwind die onaflatend door je heen waait te overleven en tot bloei te komen voordat je zelfkritiek ze insnoert en wegsnoeit. 

Telkens ontsnap je even, om je kortstondig thuis te voelen in de beweging, onderweg, jezelf identificerend met de verlaten snelweg die oorsprong en bestemming met elkaar verbindt maar zelf nooit ergens aankomt noch in beweging is- twijfelend welk uiteinde nou het ‘thuis’ is.  Al die kleine ontsnappingen houden je gaande; de korte afwezigheid in een gesprek, die blik de andere kant op; de momenten voor jezelf in een nachtbus; de avond die vervoering brengt en de slaap die verlichting brengt met de afsluiting van elke dag; de dag ontvlucht uit de stad die de jouwe zou moeten zijn maar met geen enkel individu wat uit te staan heeft; een weekend naar dat bijna verlaten koloniale dorpje waar je jezelf voor even in de ochtendschemering buiten je eigenlijke leven kunt verplaatsen, omdat met het geruis van de golven voor even de stemmen en de drukte in je hoofd lijken weg te ebben; een reis naar een ander continent om je te onttrekken aan de dagelijksheid van je leven door jezelf te hullen in de onwetendheid van de vreemdeling; of tenslotte, in het midden tussen hoop en wanhoop, je leven opnieuw beginnen op een andere plek, met je hoofd in de wolken en je voeten verstrikt in het vangnet dat je achterlaat. 

Steeds langer reis je.  In treinen, over snelwegen, in bussen, te voet, steeds langzamer reis je – en misschien cirkel je wel in een spiraaldans steeds dichter om je bestemming en jezelf heen, die leegte diep in je midden, diep in het hart van je zijn, terwijl je jezelf voedt met je eigen circulaire referenties, expressies, excrementen, allemaal ontsnappingen.... 

Al deze ontsnappingen houden je gaande, totdat je ooit ergens, leeg en zonder bagage, in onbekende armen thuiskomt en je niet langer slaapt om de dag te vergeten maar om een nieuwe te ontdekken. Pas dan zal de vloeibare wereld waarin je jezelf hult stollen en vorm aannemen. Pas dan zul je stoppen met je nachtelijk reizen.

" Want is niet alle reizen nachtelijk, in afwachting en 
op zoek naar de schemering van een nieuwe dageraad?"