Gevangen 

Om de mij omgevende en buiten mij om veranderlijke werkelijkheid onbevangen in te vangen werp ik een net uit, gestrikt in tijdelijke referentiepunten die ik evenzeer voor mij uitwerp als achter mij aan sleep, en dat op deze wijze ook mij omgeeft - terwijl dezelfde werkelijkheid ongevangen en verraderlijk door haar en mij heen glipt.

Af en toe blijft er iets steken dat onvervangbaar lijkt en dat in het net ingeweven wordt, haar verzwarend met zekerheid - de zekerheid van het blijven steken. Visuele referentiepunten als je door de stad loopt waar je thuis bent, een melodie of stem die je als muziek in de oren klinkt, degenen die je in je hart hebt ingesloten, en ook alles dat je daar uit moet storten, de aanrakingen die vertrouwd zijn, of misschien juist sprankelend nieuw –

Dit alles directe lijfelijke ervaringen, (in) mijzelf, die ik weer kan toe-eigenen als referentiepunten - kleine knooppunten van vastigheid die je eigen weefsels vormen en waarin je de werkelijkheid, waar je zelf deel van uitmaakt, in en uit strikt en haar beweeglijkheid mee ver-vangt.

En je gedachten daar -[op afstand]- over, die dit strikken en inweven proberen te ontwarren, het totaalbeeld proberen te ontwaren van een weefsel dat nooit af is, met het gevaar de losse eindjes zo ver te ont-rafelen dat het vaste geheel komt te vervallen – de eindjes niet meer aan elkaar te knopen zijn of de draad in het geheel kwijt, als een koorddanser uit balans - en je een nieuw net weeft om je in die val opnieuw op in te vangen. 

[Onbevangen blijf ik proberen de veranderlijkheid van met alle verknopingen en weefsels in te vangen. Dit alles is wat door haar //door mij heen glipt]. Dit alles is mijn ogen, mijn oren, mijn hart, mijn handen en vooral in mij, mijn hoofd.