Hymen

Kan mijn taal ooit volledig (of) genoeg zijn, als zij al aan alles en de rest refereert? Als zij altijd al een woord te veel én te weinig is - te laat neergeschreven om een toekomst te hebben, ((het) origineel te zijn) en te vroeg om een herinnering in te vangen. Wat mij doorkruist, wat is daarvan in woorden te vangen? ‘Le vouloir -dire’, het willen zeggen, dat is het willen - vastleggen. Het verlangen - de ervaring te schrijven. Verlangen naar controle, en het eeuwig vasthouden van het vluchtige. Dat moment van ervaring niet alleen ont-waren, maar ook be-waren. Wat overweldigend en mogelijk ontwrichtend is, dat moet in woorden vastgelegd en overmeesterd worden, om zo een plek krijgen. Terwijl ondertussen de ervaring, onder de grijpgrage glibberige vingers van de analyse die grip op haar wil krijgen, afgetast en betast wordt en slechts met weerzin haar onaangetaste innerlijk prijs lijkt te geven. 
Maar wat gaat vooraf aan het willen - vastleggen? Waarop leg je beslag als je iets vastlegt? Wat is het dat er al was, altijd al één stap terug, voordat ik het, altijd al één stap te laat en ervan verwijderd,( be-)schrijf? Was eigenlijk het al (exact), wat het was, of wordt het dat door in mijn schrijven, dat tegelijk nooit geheel (exact) is, wat er aan vooraf ging – een benadering van wat ontwijkt en een lege plek achterlaat. Is er in taal een lege plek te creeëren die ruimte geeft hieraan? De taal altijd een woord te veel èn te weinig - als een[sluier], tussen mij en het object van mijn verlangen, dat zelf alleen door de afscheiding puur en zuiver gezien wordt. Een weefsel dat verbindt maar ook afstand houdt, als hymen.